‘In de trein.’ ‘Aan de kassa. Ik moet net betalen. Wacht, ik bel je zo terug.’ Antwoorden op de vraag waarmee een beller sinds het mobiele tijdperk het gesprek opent. ‘Waar ben je?’

Het is ook de eerste vraag die klinkt uit de mond van God. ‘Waar ben je?’ Genesis, en dus ook de bijbel, begint met uitroeptekens. God sprak ‘Licht!’ en er was licht. Zo schept hij al roepende. Zijn woord krijgt gestalte. En in het refrein van dat scheppingslied klinken de uitroeptekens ook door. ‘En het is goed!’ Als het om scheppen gaat, is de middelmatigheid van punten niet voldoende. Nee, met kracht wordt er gesproken. Met kracht wordt er een plek om te wonen neergezet.

In Genesis 3 beginnen de vragen. Adam en Eva verschuilen zich voor God, omdat ze gedaan hebben wat met de dood bekocht zou worden: eten van de vruchten van de boom der kennis van goed en kwaad. Verscholen zitten ze. En God zoekt hen. ‘Waar ben je?’ Luid klinkt het door de lege hof. Mens, waar ben je? Waar houd je je verscholen? Sta op en kom tevoorschijn!

Deze vraag is meer dan willen weten waar iemand zich op dit ogenblik ophoudt. Deze vraag wijst de mens op zijn plek. Wat is jouw plaats hier op aarde, in de goede schepping? Jouw plaats is niet het verborgene. Je roeping is er te zíjn. In alle kwetsbaarheid, in alle openheid. Wandelend door de schepping. Jouw roeping is te leven voor Gods aangezicht.

Marga Haas is redactielid van Open Deur en schrijft elke twee weken een column over een bijbeltekst. Neem een gratis abonnement op ‘Parelduiken in de bijbel’ via www.margahaas.nl.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *