‘Een vreemde is een vriend die je nog niet kent.’ Deze tekst hing in de hal van een psychiatrische woonafdeling waar ik als jonge geestelijk verzorger werkte. Een spreuk die me opviel en bemoedigde. Vaak had ik het gevoel een vreemde wereld te betreden. Dat maakte me onzeker en terughoudend. De spreuk hielp me om contacten hoopvol aan te gaan, als een kans op medemenselijkheid en vriendschap.
Het viel me in die tijd op hoeveel tolerantie voor de vreemde ander juist van mensen met een psychiatrische aandoening wordt gevraagd. Veel zorg en begeleiding vindt plaats in groepen. Gedwongen soms. Met willekeurige anderen je huiskamer en tafel delen. Verdriet, angst en verwarring van anderen horen en zien. Dat leek mij een last die er nog bij komt. Toch werd er weinig over geklaagd. Hadden mensen hun handen vol aan hun eigen sores? Naast onverschilligheid proefde ik daar soms ook een soort hoffelijkheid in. Dat mensen daadwerkelijk ruimte en begrip konden opbrengen voor het lijden van anderen. Een enkele keer ontstond er meer dan dat. Vriendschappen, sympathie en herkenning tussen mensen die elkaar in het gewone leven nooit ontmoet zouden hebben. Daar mocht ik zelf ook in delen, nooit ben ik ergens warmer en met meer waardering uitgezwaaid bij een afscheid. Ik ontving veel meer vriendschap dan ik zelf had kunnen geven.

 

Beate Rose, geestelijk verzorger, predikant en redactielid van Open Deur.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *