‘Levenskunst’ klinkt optimistisch. Het woord suggereert het dat ik iets van mijn leven kan maken: een kunstwerk.
Mijn buurman is daar druk mee bezig. Hij heeft een goede baan, een vrouw die gezien mag worden en drie stoere knaapjes. Mijn buurman blaakt van optimisme en hij slaagt erin wat van zijn leven te maken. Maar misschien zijn niet optimisten maar pessimisten wel de werkelijke levenskunstenaars. Zij leven tegen de wind in. Omdat het hun tegenzit of omdat ze nu eenmaal geneigd zijn een half vol glas als half leeg te beschouwen.
De dichter Lucebert was volgens Jan Oegema zo iemand. Luceberts pessimisme was echter geen defaitisme. Zijn pessimisme zag de wereld zoals deze volgens hem was. In zijn visie was de wereld geen lolletje. Hij zag niet mijn succesvolle buurman, maar zijn tragische buurman, die niet het geluk had gehad van een goede baan, een knappe vrouw en knappe knaapjes.
Lucebert zag het gedoe, het mislukken, het uitglijden, het lijden. Daar was hij mee begaan. Nu sprak Lucebert ook van ‘het wonder van het pessimisme’. Daarmee bedoelde hij dat de pessimist ziet dat het lijden een constante is, maar dat het zich soms laat onderbreken. ‘Niet opheffen, wel onderbreken,’ benadrukt Oegema.
Ik ben hem dankbaar voor wat hij mij leert over Lucebert. Dat je bij alle tegenwind er oog voor hebt dat er momenten zijn van windstilte. Dat vind ik een levenskunst bij uitstek.

Stephan de Jong

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *