Volmaakte woede

Auteur Victor Bulthuis | Verschijningsdatum 1 april 2010 | Thema: Psalmen, Woede

O God, sla de bozen dood. Is de dichter van psalm 139 een religieuze fanaat, die haat zaait en uit is op de vernietiging van ‘goddelozen’?

O God, sla de bozen dood.
Moordenaars, ga weg van mij.
De vijand beroept zich meinedig op U,
maar hij misbruikt uw naam.
Zal ik degenen niet haten die U haten, Heer,
niet walgen van hen die tegen U opstaan?
Ik haat ze zo veel ik maar haten kan,
het zijn voortaan mijn eigen vijanden.

(Psalm 139, 19-22 in de Willibrordvertaling van 1995)

In Avonduren. Dagboek van een bewogen jaar schrijft EO-programmamaker Andries Knevel hoe tijdens het avondeten de telefoon gaat. Het is zoon Herman, die vertelt dat Andries en diens vrouw Rietje voor de tweede maal opa en oma worden. Verheugd slaat Knevel de Bijbel open bij psalm 139, omdat die gaat over het wonder mens, geweven in de schoot van zijn moeder. ‘Maar niet helemaal,’ voegt hij daaraan toe, ‘want aan het einde van de psalm staan een aantal zeer bloeddorstige teksten, die je niet zomaar, zonder de context te weten, kunt lezen. En bij het lezen aan tafel ken je die context niet.’
Knevel is niet de enige die de verzen 19-22 liever mijdt. Dominee Carel ter Linden sloeg ze wijselijk over bij de uitvaart van prins Claus. Begrijpelijk, want bij geboorte en dood past ingetogenheid. Maar zelfs psalmhertalers als Piet Thomas en Lloyd Haft gaan deze regels uit de weg. Waarom?

Volstrekte haat

In de eerste plaats waarschijnlijk omdat deze vier verzen de verstilde, meditatieve sfeer van de psalm luidruchtig doorbreken. Achttien verzen lang mijmert de psalmist over de wonderbaarlijke wijze waarop hij door God geschapen en gekend is. Hoe kan iemand vanuit die stille inkeer opeens zo uitvaren tegen anderen? Wat dit betreft is het goed om, zoals Andries Knevel zegt, iets te weten over de context. Probleem is echter dát we daar nauwelijks iets over weten. Daardoor zijn de uitleggers het niet eens over de interpretatie. Sommigen menen dat de psalm het lied is van een aangeklaagde (van afgoderij?) die met een beroep op de enig ware God zijn onschuld probeert aan te tonen. Als dat zo is, dan is het begrijpelijk dat de psalmdichter stevig van zich afbijt.
Maar daarmee zijn we er nog niet. Het gif zit in de aard van de woede die tot uitbarsting komt, een woede die op vernietiging uit is. Volgens de filosofen Aristoteles en Seneca is het een grondtrek van woede dat die gericht is op vernietiging. Maar hier komt die grondtrek wel heel hevig tot uiting. Niet alleen in de wens dat God de tegenstanders een kopje kleiner zal maken, maar ook in de woorden: ‘Ik haat ze zo veel ik maar haten kan,
het zijn voortaan mijn eigen vijanden.’ De psalmdichter cultiveert zijn woede, hij neemt zich voor met zijn hele hebben en houden voor altijd kwaad te blijven op de bestrijders van zijn God die ook zijn eigen bestrijders zijn. Je zou kunnen spreken van een volmaakte woede, omdat zij gericht is op vernietiging én omdat zij het gehele bestaan van de psalmdichter doordrenkt. Niet voor niets vertalen Pieter Oussoren (Naardense Bijbel) en Ida Gerhardt & Marie van der Zeyde dit met: ‘Mijn haat is volstrekt.’

Is dit wat Andries Knevel en al die anderen de verzen 19-22 doet overslaan? Om het nog spannender te maken: in Knevels geliefde Statenvertaling staat er: ‘O, God! Dat gij den goddeloze ombracht!’ In zijn dagboek schrijft Knevel: ‘Zo, dat is kloeke taal. Laat Geert Wilders het niet horen.’ Waarom niet? Omdat Wilders het heeft voorzien op religieuze fundamentalisten die haat zaaien jegens hen die zij ‘goddelozen’ noemen. Precies om deze reden werd Andries Knevel in Pauw & Witteman op het matje geroepen. Jeroen Pauw las de gewraakte verzen uit Psalm 139 voor en stelde Knevel daarbij de vraag: wordt in deze verzen niet eenzelfde soort haat gezaaid?

Eelt op je ziel

Op grond van dit alles zouden we met de dichter Willem Barnard kunnen concluderen dat de verzen 19-22 Psalm 139 ‘voorgoed onzingbaar’ hebben gemaakt. En toch, is daarmee de kous af? Hebben we daarmee recht gedaan aan de woede van de psalmdichter?
Stel dat deze psalm inderdaad een cri de coeur, een hartenkreet, is van iemand die omwille van zijn geloof in het nauw is gedreven. Zijn woede is dan een natuurlijke reactie op onrecht dat hem aangedaan is, op schending van onschuld. Maar wat hem pas echt boos maakt, is dat niet alleen zijn eigen integriteit, maar ook die van zijn God in het geding is. ‘Kritiek op of beschimping van iemands religieuze overtuigingen is te vergelijken met een aanval op iemands geliefde,’ schrijft de filosoof Rob Wijnberg. In de zin van: kom je aan mijn God, dan kom je aan mij. De keerzijde van de woede van de psalmdichter is de liefde jegens zijn God die hem heeft gemaakt en die hem beter kent dan wie ook – en die weet heeft van zijn integriteit.
Zou de psalmist anno 2010 hebben geleefd, dan had hij zich waarschijnlijk moeten verweren tegen politici, cabaretiers en cartoonisten die menen dat er een recht bestaat op kwetsen en dat gelovigen maar wat eelt op hun ziel moeten aankweken. Hier tegenover brengt hij tot uitdrukking wat het betekent om als integer levend mens aangeschoten wild te zijn. Willen Jeroen Pauw en Andries Knevel deze verzen goed verstaan, dan moeten ze inzien dat de psalmdichter met zijn woede de menselijkheid in het spel brengt waar onmenselijkheid de overhand heeft. Ook al lezen – en zingen – we zijn stevige woorden niet graag.

Victor Bulthuis
Priester van het Aartsbisdom Utrecht en redactielid van Open Deur