Niet alleen in de eerste hoofdstukken van het bijbelboek Genesis wordt de vraag ‘Wie is de mens?’ beantwoord. Dat gebeurt ook verderop in dit boek, als de schijnwerper gericht staat op Jacob. En de vraag is waarom de schrijver van Genesis  zo veel woorden wijdt aan deze alledaagse man.

Is het omdat deze man gebukt gaat onder de zekerheden van zijn ouders en voorouders? Of omdat hij zich bijna verliest in het alledaagse? Hij wil graag iemand zijn, maar weet niet hoe. En hij verstrikt zich in zijn eigen slimheid. Hij snakt naar bevestiging. Begrijpelijk, want tegenover zijn broer, de oermens Esau – type ruwe bolster, blanke pit – lijkt hij een geniepige kantoorklerk.

Op een gegeven moment droomt hij over een ladder, zie Genesis 28: 10 en verder. In de Midrasj (joods commentaar bij de Tora) wordt gezegd dat Jacob wordt uitgenodigd om omhoog te klimmen. Maar hij wil niet, hij is bang. Opgaan en blinken wil hij wel, maar niet verzinken. Jacob wist zich maar niet van zijn angst en zwakheid te bevrijden. Een commentaar op de droom van de ladder is ook dat de engelen bij aankomst beneden teleurgesteld waren. Ze vroegen zich af: Is dat hem nou, degene over wie we het vaak in de hemelen hebben?

De ware Jacob (de ware mens) lijkt alleen in de nacht tevoorschijn te kunnen komen. De vechter, de strijder – dat wordt hij na het gevecht in de nacht, bij de rivier de Jabbok. Dan krijgt hij de naam ‘Israël’.  De nacht wordt voor hem het moment om te ontsnappen aan het alledaagse. De beslissende momenten in zijn leven hebben ’s nachts plaats. Sinds het gevecht met zichzelf (zie Genesis 32: 23 en verder) lijkt hij niet eenzaam meer; hij draagt een geheim met zich mee.

Aart Mak is pastor bij Kerk zonder Grenzen, het omroeppastoraat van Radio Bloemendaal, en redactielid van Open Deur.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *