De legende van de sleedoorn

Lang geleden, in het oude Juda, stond de sleedoorn langs de kant van de weg. Vanwege zijn gemene doornen was deze struik niet geliefd.
Ook de Romeinse soldaat die takken met doornen verzamelde, kende de sleedoorn. Zijn doornen waren langer dan die van de roos en de braam. Voorzichtig, om zichzelf niet te verwonden, vlocht hij van de takken van de sleedoorn een kroon. Daarmee liep hij naar zijn kameraden, die zich vermaakten met een Joodse man, ene Jezus, van wie gezegd werd dat hij een koning was. Had een koning geen kroon nodig? De soldaten drukten de kroon stevig op zijn hoofd. Bloed liep uit de wonden. Ach, het lijden van die koning zou niet lang duren. Zijn kruis lag al klaar.

Enige dagen daarna gingen er geruchten over een leeg graf. Jezus zou zijn opgestaan. Op een stille avond liep Jezus langs de weg waar de sleedoorn stond. De sleedoorn wist dat de kroon die Jezus had gekweld, was gevlochten van zijn takken en doornen. De sleedoorn schaamde zich diep. Toen Jezus langs hem liep, fluisterde hij dat het hem speet. Hij had niemand pijn willen doen.
Jezus stond stil en schonk de kale struik een gulle lach. ‘Ik weet het, jij was het niet die mij pijnigde. Het waren mensen. Omdat jij meer barmhartigheid toont dan menig mens, zal ik je een geschenk geven. Je zult niet meer bekend staan om je doornen, maar om de prachtige witte bloesem die vanaf nu elk voorjaar aan jouw takken zal bloeien.’

 

Naar een oude legende, herverteld door Stephan de Jong

 

Uit:  Open Deur april 2012