De berg als een obstakel, een probleem, een grote opgave.
Hoe ga je daarmee om? Móet je naar boven? ‘Climb every mountain’?

Bergen hebben verschillende gezichten. Monumentaal rijzen sommige bergen op met een fraaie scherpe hoek. Het ochtendlicht maakt de berg tot een adembenemende ervaring. En in het oranje-roze avondlicht sluit je de berg in je hart. Wie er bovenop wil komen, moet echter bergklimmer van beroep zijn, uitgerust in felgekleurde bergsportkleding, en toegerust met een buitengewone wilskracht die je ook ‘gekte’ zou kunnen noemen.
Andere bergen liggen meer verscholen, omringd door passen en ketens. In de praktijk blijken dit meer de bergen voor gewone mensen.
Wie aan die berg wil beginnen, begint aan een verhaal. Van vrijwel iedere berg die ik op ben gewandeld – ik verheug me er jaarlijks op – blijft me veel bij over hoe de tocht verliep. Zo treedt de berg binnen in mijn eigen verhaal. De berg raakt vertrouwd – een stuk landschap met een naam wordt tot een persoonlijke legende. Voor zover het tenminste goed afliep. Wie een keer op een berg ten val kwam weet ook dat de berg een heel ander gezicht kan tonen. Het landschap wordt dan een kille toestand. Tussen mistflarden grijnzen vochtige rotsen je aan. Door de schrik verlies je de bewondering. Hooguit heb je ontzag, maar dan ontzag in de betekenis van: hoe kom ik hier weg?

Het verhaal van de berg in je leven kan je ook overkomen zonder dat er een echte berg aan te pas komt. Zo’n berg kan je tegenkomen als je begint aan een onoverzichtelijk, grote of onvertrouwde klus. Het kan gaan om een opgave in je huis, je werk of je studie,om moeizame contacten met anderen, of om de taak om lichamelijke gebreken tegemoet te treden. Zulke bergen zien er zelden monumentaal uit. Je begint niet vooraf al foto’s te maken. Nog sterker: je kent het gezicht van de berg nog niet, zelfs de naam is niet altijd bekend. En als je die naam te weten bent gekomen – de naam van de grote klus, van een moeilijk bericht aan anderen, of van een ziekteproces, dan krijgt die naam niet meteen een frisse gloed in het ochtendlicht. Je aarzelt om de kaart te openen. Je vermijdt het om het weerbericht ter plekke te raadplegen. Móet je naar boven? Is er een weg terug?

Het zou aardig zijn als er een weg terug is, zeker als de berg niet bij je past. Maar de spreekwoordelijke bergen in ons leven blijken zich dikwijls aan je keuze te onttrekken: je staat al halverwege de helling als je ontdekt dat de weg terug geen optie is. Talenten, principes, beloftes, onvermijdelijkheden: ze hebben je allang op weg gestuurd. Zodra je ontdekt dat je aan de berg bent begonnen, onthult de berg zijn naam. Kun je nog wat bij elkaar verzamelen aan proviand, kleren, kennis of gezelschap? Wat heb je nog in de hand? Hangen de wolken laag, of is er een kans op een opening?

Wie doorzet op de helling, merkt hoe de top waar je naartoe loopt, de echte top niet is, maar een vóór-top, een uitstulping van de graat. De berg speelt een spelletje met je! Het is alsof de top zich steeds verder terugtrekt. De wandelaar kan zijn vertrouwen in het welslagen dan eventjes verliezen: hoe dichter onder de top, hoe zwakker het overzicht. Juist op deze momenten ontleent je eigen verhaal profiel áán de berg. De tocht hecht zich in je geheugen: hoe het lukte, of hoe het níet lukte. Zowel de berg van het welslagen als de berg waarop je moest omkeren (en die aanschuift bij de ‘boulevard of broken dreams’) verdient een plaats in je eigen verhaal.

Arjan Braam, psychiater en onderzoeker aan de Universiteit voor Humanistiek.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *